P

Parmenides
1. Parmenides (ca. 540-500 v.c.). Filosoof.


Particularisme (moreel)
1. Ethische theorie die ontkent dat er niet-morele eigenschappen van handelingen of objecten zijn die altijd relevant zijn op gelijke manier (zoals bijvoorbeeld door het hedonisme wel wordt gesteld door altijd te kijken naar de pijn en het genot van een handeling). 


Paternalisme
1. Het zonder toestemming van een persoon inmengen in diens vrijheid of autonomie met als motief om het welzijn, het goede, de belangen e.d. van deze persoon te bevorderen.


Peirce
1. Charles (Sanders) Peirce (1938-1914). Filosoof.


Perfect
1. Geheel, zonder enig gebrek.

Synoniem
Volmaakt


Perfectionisme
1. Ethische theorie die stelt dat het behalen van perfectie het doel is waar we ons leven op moeten inrichten. De perfectie wordt vaak ingevuld met het vervullen van het talent, het potentieel dat iemand bezit. Hiermee kunnen ook kennisverwerving, het leveren van bepaalde prestaties of artistieke ontwikkeling moreel juist worden.


Personal identity
1. De identififatie van een persoon over de tijd heen.


Phusis
1. (gr) Natuur.


Physis
1. Aard, als ook
2. Oorsprong


Plato
1. Plato (427-347 v.c.). Filosoof.


Platonische liefde
1. Liefde zonder seksueel (zinnelijk) handelen of begeren.


Plenum
1. Volledig vol (van wat is).


Plotinus
1. Plotinus (204/5-270). Filosoof.


Pluralisme, ethisch
1. Zie Ethisch pluralisme.


Pluralistisch consequentialisme
1. Vorm van consequentialisme waarbij om te bepalen van welke handeling de gevolgen het meest bijdragen aan het goede, dit goede niet kan worden herschreven kan naar een enkel te bepalen doel/staat omdat er meerdere waarden zijn die een intrinsieke waarde hebben (bijvoorbeeld schoonheid, vriendschap, kennis, gezondheid, et cetera).


Pluralistisch utilitarisme
1. Utilitische vorm van Pluralistisch consequentialisme waarbij het nut niet kan worden hergedefinieerd in één te behalen doel/staat.
2. (Bedoeld wordt) Pluralistisch consequentialisme.


Popper
1. Karl Popper (1902-1994). Filosoof.


Porphyrius
1. Porphyrius (ca. 233-309). Filosoof.


Positieve vrijheid
1. De vrijheid waarbij een persoon daadwerkelijk de middelen heeft om te kunnen doen wat hij of zij wil doen. 

Voorbeeld
Een gehandicapt persoon in een rolstoel zal mogelijk niet worden belemmerd een stadhuis te betreden (negatieve vrijheid) maar dit wordt pas mogelijk voor de persoon als er een lift is (positieve vrijheid).


Post-modernisme
1. Het post-modernisme staat voor meerdere stromingen binnen de filosofie die zich afzetten tegen het modernisme, het positivisme en de ideeën van de Verlichting in het algemeen. Stelt dat objectieve, menselijke kennis niet mogelijk is. Van een universele, objectieve waarheid kan geen sprake zijn. Evenmin (dus) een allesverklarende theorie. Het gebruik (en de beperkingen) van taal staat hierbij vaak centraal.


Pragmatische waarheidsopvatting
1. Een uitspraak is waar (binnen een gemeenschap) zo lang ze nuttige diensten verricht, werken in de ogen van de meerderheid.


Pragmatisme
1. Algemeen: stroming die de waarheid ziet in haar praktische toepasselijkheid.
2. Taalfilosofie: stroming die het begrip van taal (het antwoord op de vraag 'Wat is betekenis?') ziet in haar gebruik.


Prescriptieve ethiek
1. Zie ethiek (prescriptieve-)


Presocraat
1. Vertegenwoordiger uit de periode van de pre-socratische filosofie.


Presocratische filosofie
1. Filosofie bedreven in de periode voor en rond Socrates (rond 350 - 300 v.c.)


Prima facie verplichting
1. Morele verplichting die op het eerste gezicht vervulling veronderstelt tenzij deze in een specifiek geval conflicteert met een gelijke of sterkere verplichting.

Etymologie
(lat) Op het eerste gezicht


Principe van het grootste geluk
1. Principe dat stelt dat de juiste handeling in een bepaalde situatie die handeling is die zorgt voor het meeste geluk voor een een zo groot mogelijk aantal mensen dat door de handeling geraakt wordt.


Privé-moraal
1. Moraal uitgeoefend in een privé-omgeving, in bijvoorbeeld het gezin.

Tegenovergestelde positie
Publiek moraal


Professionele norm
1. Zie Norm (professionele-).


Propositie
1. De inhoud van een zin of bewering (dezelfde zin in verschillende talen heeft dezelfde propositie). Is waar of niet waar.


Protagoras
1. Protagoras (ca. 490-420 v.c.). Filosoof.


Publiek moraal
1. Moraal die je laat zien in het publieke domein (bijvoorbeeld op straat).

Tegenovergestelde positie
Privé moraal


Publieke normen
1. Zie Norm (publieke-)


Pure paternalisme
1. (Pure paternalism) Vorm van paternalisme - in tegenstelling tot inpure paternalisme - waarbij enkel de groep/persoon die beschermd wordt te maken heeft met de inbreuk op diens vrijheid of autonomie.


Putnam
1. Hilary Putnam (1926-). Filosofe.


Pyrrho
1. Pyrrho (ca. 365-275 v.c.)


Pythagoras
1. Pythagoras (ca. 570-497 v.c.). Filosoof.